Wat betekent aperto in Italiaans?
Wat is de betekenis van het woord aperto in Italiaans? Het artikel legt de volledige betekenis uit, de uitspraak samen met tweetalige voorbeelden en instructies voor het gebruik van aperto in Italiaans.
Het woord aperto in Italiaans betekent open, gapend, open, open, vrij, open, open, open, open, vrij, open, openlijk, open, open, zich ontvankelijk stellen voor, open staan voor, open, openlijk, openhartig, eerlijk, open, transparant, vrij, ongeregeld, etterend, vers, uitgepakt, opengemaakt, ontvankelijk, openstaand, verdraagzaam, tolerant, uitgestrekt, uitgesproken, toegankelijk, aanspreekbaar, receptief, met open mond, wijdbeens, openhartig, gapend, wijd open, openen, openmaken, doe open!, iets vastleggen, vaststellen, opendoen, openen, openmaken, openmaken, open gaan, openen, uitkomen, uitkomen, uitkomen met, vrijmaken, banen, opensnijden, openen, uitvouwen, openen, openbaar maken, blootleggen, openzetten, iets toegankelijker maken, uithollen, uigutsen, losmaken, ontspannen, openbreken, uitvouwen, openvouwen, ontvouwen, openmaken, opendoen, van de klink doen, vrijgeven, openmaken, opendoen, openvouwen, spreiden, uitspreiden, losmaken, openmaken, spreiden, losmaken, uitpakken, openmaken, zich uitspreiden, optrekken, openlucht-, buitenlucht, openlucht-, buiten-, betwistbaar, aanvechtbaar, in de open lucht, barbecue, openhartchirurgie, openluchttheater, openluchttheater, verdraagzaam tegenover, verdraagzaam voor, tolerant tegenover, tolerant voor, 24-uurs. Raadpleeg de onderstaande details voor meer informatie.
Betekenis van het woord aperto
openaggettivo La porta era aperta e Mark entrò. |
gapend(figuurlijk: gat) In alcuni paesi c'è un divario aperto tra i ricchi e i poveri. |
openaggettivo Il teatro era aperto e chiunque poteva entrare. |
open, vrijaggettivo Dalla cima della collina si gode una vista aperta sul mare. |
open
La questione del budget è ancora aperta. Speriamo di chiuderla entro la settimana. |
openaggettivo (figurato) La dottoressa Smith è stata molto aperta e onesta con noi in merito ai rischi dell'operazione. |
openaggettivo (figurato) Martin è aperto alle persone di tutti gli orientamenti politici. |
open, vrijaggettivo Il palazzo è progettato con piani aperti con soltanto alcune colonne. |
openaggettivo Il libro è aperto al capitolo tre. |
openlijkaggettivo Le ostilità aperte hanno scandalizzato gli altri paesi. |
openaggettivo (fonetica) Il suono della "a" aperta è diverso da quello della "a" chiusa. |
openaggettivo L'iscrizione è aperta a tutti. |
zich ontvankelijk stellen voor, open staan vooraggettivo (figurato: carattere) Sono sempre aperto a nuove idee. |
open, openlijkaggettivo Alex ha lanciato a Nathan uno sguardo di aperta antipatia. |
openhartig, eerlijkaggettivo |
openaggettivo Il bimbo ha camminato verso le braccia aperte di Sara per farsi abbracciare. |
transparantaggettivo Molti pensano che un'amministrazione aperta sia importante in una democrazia. |
vrijaggettivo Il campo da tennis è libero per un'ora oggi pomeriggio. Vuoi prenotarlo? |
ongeregeldaggettivo Questa è una città aperta. Puoi fare più o meno quello che vuoi. |
etterend(che emette liquido) (van wond) Era un'orribile ferita viva che continuò a sanguinare per ore. |
versaggettivo (ferite) Sul braccio sinistro aveva una ferita aperta che sanguinava ancora. |
uitgepakt, opengemaaktaggettivo (pacchi) Una volta che i regali furono tutti scartati la famiglia si sedette per la cena di Natale. |
ontvankelijk, openstaand
|
verdraagzaam, tolerant
Questa è una comunità accogliente e tollerante. Dit is een hartelijke en verdraagzame (of: tolerante) gemeenschap. |
uitgestrekt
L'ampia vista sui campi e le montagne era impressionante. |
uitgesproken
I residenti hanno manifestato in modo esplicito la loro contrarietà al progetto. |
toegankelijk, aanspreekbaar
|
receptiefaggettivo Se sei aperto alle critiche, puoi imparare da esse. |
met open mondaggettivo |
wijdbeensaggettivo (gambe) |
openhartig(figurato: con sincerità) |
gapend, wijd openaggettivo (bocca) Chiudi quella bocca spalancata: è maleducazione! |
openen, openmakenverbo transitivo o transitivo pronominale |
doe open!verbo intransitivo Aprite! Polizia! |
iets vastleggen, vaststellen(negozi, attività) La catena ha deciso di aprire un ristorante in tutte le maggiori città degli Stati Uniti. |
opendoenverbo transitivo o transitivo pronominale Carole ha aperto la porta ed è uscita di casa. |
openen, openmaken
Emily ha aperto la bottiglia di vino con un cavatappi. |
openmakenverbo transitivo o transitivo pronominale Richard ha aperto la scatola con un paio di forbici. |
open gaan, openenverbo intransitivo Il teatro apre alle tre del pomeriggio. |
uitkomenverbo intransitivo (giochi di carte) Brittany aprì con una puntata molto alta. |
uitkomenverbo intransitivo (giochi di carte) Ok, stavolta apri tu. Tira la prima carta. |
uitkomen met(carte) (kaartspel) Ha aperto con un asso di cuori. |
vrijmaken, banenverbo transitivo o transitivo pronominale Dobbiamo aprire un passaggio attraverso i boschi. |
opensnijdenverbo transitivo o transitivo pronominale Il medico ha aperto il paziente per operarlo al cuore. |
openen, uitvouwenverbo transitivo o transitivo pronominale Ha aperto la lettera e ha iniziato a leggerla. |
openenverbo transitivo o transitivo pronominale L'azienda è stata aperta più di cinquant'anni fa. |
openbaar maken, blootleggenverbo transitivo o transitivo pronominale (figurato: rivelare) Il deputato ha aperto i suoi libri contabili perché tutti possano vederli. |
openzettenverbo transitivo o transitivo pronominale Apriamo le finestre per lasciare entrare un po' d'aria fresca. |
iets toegankelijker makenverbo transitivo o transitivo pronominale (figurato: rendere più accessibile) La scuola ha aperto la sua piscina ad un'utenza più ampia. |
uithollen, uigutsen
|
losmaken
|
ontspannen
|
openbreken
|
uitvouwen, openvouwen, ontvouwenverbo transitivo o transitivo pronominale Charlotte aprì il biglietto che Adam le aveva appena passato per leggere che diceva. |
openmaken, opendoenverbo transitivo o transitivo pronominale Rachel tirò fuori le chiavi e aprì la porta. |
van de klink doen
Tina aprì la porta per far uscire il cane. |
vrijgeven(figurato) |
openmaken, opendoen
Amanda scartò il pacchetto. |
openvouwenverbo transitivo o transitivo pronominale Lisa mise la mappa sul tavolo e la aprì. |
spreiden, uitspreiden
Sua madre aprì le braccia per darle il benvenuto a casa. |
losmakenverbo transitivo o transitivo pronominale Apri i bottoni della camicia. Fa troppo caldo per tenerla abbottonata fino al collo. |
openmakenverbo transitivo o transitivo pronominale Ha aperto i regali uno alla volta. |
spreidenverbo transitivo o transitivo pronominale Quando mi fui scusato mia madre aprì le braccia e disse che potevo uscire. |
losmakenverbo transitivo o transitivo pronominale Olivia sbottonò i bottoni del cappotto. |
uitpakken, openmakenverbo transitivo o transitivo pronominale (un pacco) Emma scartò il suo regalo di compleanno con entusiasmo. |
zich uitspreiden
|
optrekken(coperte e simili) |
openlucht-locuzione aggettivale (in samenstellingen) |
buitenluchtavverbio Abbiamo dormito all'aperto la notte scorsa. Non abbiamo neanche usato la tenda. |
openlucht-, buiten-(in samenstelling) |
betwistbaar, aanvechtbaar
|
in de open luchtlocuzione avverbiale |
barbecuesostantivo femminile |
openhartchirurgiesostantivo maschile (chirurgia) Gli hanno aperto il torace e hanno eseguito una operazione a cuore aperto per sostituire una valvola difettosa. |
openluchttheatersostantivo maschile Quest'estate le opere di Shakespeare saranno in scena in un teatro all'aperto. |
openluchttheatersostantivo maschile |
verdraagzaam tegenover, verdraagzaam voor, tolerant tegenover, tolerant voor
Questa comunità è tollerante nei confronti delle persone di qualsiasi cultura e provenienza. Deze gemeenschap is verdraagzaam (of: tolerant) jegens mensen van alle culturen en achtergronden. |
24-uurslocuzione aggettivale |
Laten we Italiaans leren
Dus nu je meer weet over de betekenis van aperto in Italiaans, kun je leren hoe je ze kunt gebruiken aan de hand van geselecteerde voorbeelden en hoe je lees ze. En vergeet niet om de verwante woorden die we voorstellen te leren. Onze website wordt voortdurend bijgewerkt met nieuwe woorden en nieuwe voorbeelden, zodat u de betekenissen van andere woorden die u niet kent, kunt opzoeken in Italiaans.
Verwante woorden van aperto
Geüpdatete woorden van Italiaans
Ken je iets van Italiaans
Italiaans (italiano) is een Romaanse taal en wordt gesproken door ongeveer 70 miljoen mensen, van wie de meesten in Italië wonen. Italiaans gebruikt het Latijnse alfabet. De letters J, K, W, X en Y komen niet voor in het standaard Italiaanse alfabet, maar komen wel voor in leenwoorden uit het Italiaans. Italiaans is de tweede meest gesproken taal in de Europese Unie met 67 miljoen sprekers (15% van de EU-bevolking) en het wordt als tweede taal gesproken door 13,4 miljoen EU-burgers (3%). Italiaans is de belangrijkste werktaal van de Heilige Stoel en dient als de lingua franca in de rooms-katholieke hiërarchie. Een belangrijke gebeurtenis die heeft bijgedragen aan de verspreiding van het Italiaans was de verovering en bezetting van Italië door Napoleon in het begin van de 19e eeuw. Deze verovering stimuleerde de eenwording van Italië enkele decennia later en duwde de taal van de Italiaanse taal. Italiaans werd een taal die niet alleen werd gebruikt door secretarissen, aristocraten en de Italiaanse rechtbanken, maar ook door de bourgeoisie.