Wat betekent guardare in Italiaans?

Wat is de betekenis van het woord guardare in Italiaans? Het artikel legt de volledige betekenis uit, de uitspraak samen met tweetalige voorbeelden en instructies voor het gebruik van guardare in Italiaans.

Het woord guardare in Italiaans betekent bekijken, observeren, in het oog houden, kijken, toekijken, staren naar, kijken, kijken naar, kijken, nakijken, aankijken, uitkijken, toekijken, kijken naar, observeren, bekijken, gadeslaan, iets doorzoeken, uitkijken, uitzien op, uitkijken op, bekijken, aanschouwen, letten op, passen op, verzorgen, afspelen, zorgen voor, iets opzoeken, bekijken, opmerkingen geven/maken, oppassen, aankijken, aanstaren, helpen, treinspotter, er zit meer achter, er komt meer bij kijken, kijken, aankijken, grondig doorzoeken, iets van de positieve kant bekijken, iemand in de ogen kijken, de andere kant opkijken, naar de andere kant kijken, hoogachten, respecteren, op iets neerkijken, aangapen, staren, sterrenkijken, aangapen, aanstaren, achterom kijken, naar buiten staren, uitkijken, verlekkerd kijken, dreigend/boos kijken, vooruitkijken, naar beneden kijken, wegkijken, kijk omhoog, vooruitkijken, lonken naar, beschouwen, liggen aan, verder kijken dan, door iets kijken, naar iemand opkijken, Volle kracht vooruit!, iemand recht in de ogen kijken, de andere kant opkijken, staren, boos fronzen, loeren, een fronsende blik toewerpen, vooruitzien, kijken uit, onder ogen zien, op iemand neerkijken, rondkijken, aankijken, aanblikken, aanstaren, op iets neerkijken, even naar boven kijken, uitkijken op, uitzien op, even naar beneden kijken, zich richten tot, met samengeknepen ogen kijken, openen, glimlachen naar, zien, beschouwen. Raadpleeg de onderstaande details voor meer informatie.

Luister naar uitspraak

Betekenis van het woord guardare

bekijken, observeren

verbo transitivo o transitivo pronominale

È stato a guardare la zuffa nel parco.

in het oog houden

Le infermiere sorvegliano i bambini.

kijken, toekijken

verbo intransitivo

Frank preferisce stare a guardare invece che partecipare.

staren naar

verbo transitivo o transitivo pronominale

Janet è seduta nel parco e osserva le nuvole.

kijken

verbo intransitivo

Ha guardato alla sua destra.

kijken naar

Incerta sul da farsi, Sue guardò Mark che era seduto alla sua sinistra.

kijken, nakijken

verbo intransitivo

Fammi guardare per vedere se c'è una perdita d'acqua.

aankijken

Guarda l'insegnante quando le parli.

uitkijken

La finestra guarda verso il prato.

toekijken

verbo transitivo o transitivo pronominale

Mia madre guardava dalla riva mentre mio padre mi insegnava a nuotare.

kijken naar

Lo scultore guardava la sua ultima creazione con orgoglio.

observeren, bekijken, gadeslaan

verbo transitivo o transitivo pronominale

Guardava i suoi movimenti con interesse.

iets doorzoeken

Il mio capo scorse i documenti prima di firmarli.

uitkijken

Questa casa ha cinque finestre che guardano verso la strada.

uitzien op

(essere orientato)

La loro casa guarda verso il mare.

uitkijken op

(essere esposto)

La nostra camera da letto guarda a est.

bekijken

verbo transitivo o transitivo pronominale

Ha osservato la sua faccia a lungo, e poi ha sorriso.

aanschouwen

(literair)

La prima volta che abbiamo visto le Montagne Rocciose siamo rimasti stupefatti.

letten op, passen op

(informale)

Chi terrà i bambini mentre saremo via?

verzorgen

(informale)

Mi tieni il pesce rosso mentre sono via?

afspelen

(musica) (muziek, cd)

Sto facendo suonare il nuovo cd nello stereo.

zorgen voor

iets opzoeken

Se non sai chi era Ada Lovelace, cercala su internet.

bekijken

verbo transitivo o transitivo pronominale

Guarda quel tipo col cappello a cilindro!

opmerkingen geven/maken

verbo transitivo o transitivo pronominale

Mary è qui solo per guardare.

oppassen

I signori Brown hanno chiesto a Julie di fare da baby sitter a loro figlio.

aankijken, aanstaren

verbo transitivo o transitivo pronominale

La osservava attraverso la stanza rendendola nervosa.

helpen

verbo transitivo o transitivo pronominale (sollevamento pesi) (bij gewichtheffen)

Puoi controllarmi mentre sollevo i pesi?

treinspotter

er zit meer achter, er komt meer bij kijken

(idiomatico) (figuurlijk)

kijken

sostantivo maschile

Il suo guardare fiori e insetti le ha fatto pensare che fosse un eccentrico.

aankijken

Lo ha guardato negli occhi e gli ha chiesto dov'era stato la sera prima.

grondig doorzoeken

Durante l'indagine per ritrovare il bambino scomparso, la polizia ha cercato dappertutto.

iets van de positieve kant bekijken

Guardando sempre il lato positivo delle cose sarai una persona molto più felice.

iemand in de ogen kijken

verbo transitivo o transitivo pronominale

de andere kant opkijken, naar de andere kant kijken

verbo intransitivo

Quando attraversi la strada non guardare solo a destra ma guarda anche dall'altra parte.

hoogachten, respecteren

verbo transitivo o transitivo pronominale

L'anziano professore era guardato con rispetto dai suoi colleghi della facoltà.

op iets neerkijken

verbo intransitivo

Dalla cima della torre si può guardare in basso su tutta la città.

aangapen, staren

verbo transitivo o transitivo pronominale

Il mago si aspettava un applauso, ma il pubblico si limitò a guardare a bocca spalancata.

sterrenkijken

verbo transitivo o transitivo pronominale

aangapen, aanstaren

achterom kijken

naar buiten staren

verbo intransitivo

uitkijken

Il soggiorno guarda sul giardino.

verlekkerd kijken

verbo transitivo o transitivo pronominale

I ragazzini guardavano in modo lascivo le ragazze della squadra di pallavolo.

dreigend/boos kijken

(figurato, informale)

Hason guardava in cagnesco la sua insegnante di matematica pensando che l'algebra fosse una tortura.

vooruitkijken

(letterale)

Se stai guidando, è meglio guardare avanti, verso la strada.

naar beneden kijken

Gary guardava in basso per la vergogna mentre l'insegnante lo rimproverava.

wegkijken

verbo transitivo o transitivo pronominale

Il bambino sapeva di essere nei guai e quando la maestra lo guardò dovette distogliere lo sguardo.

kijk omhoog

Se vuoi sentirti minuscolo, alza lo sguardo e osserva le stelle di notte.

vooruitkijken

(figurato) (figuurlijk)

lonken naar

verbo transitivo o transitivo pronominale

Gli adolescenti osservavano con desiderio le donne sulla rivista.

beschouwen

Lo considerava un eroe.

liggen aan

Questa casa si affaccia sul cortile.

verder kijken dan

verbo intransitivo (figurato) (figuurlijk)

Guarda al di là del suo aspetto fisico, considera la sua personalità.

door iets kijken

verbo intransitivo

Se guardi attraverso il microscopio puoi vedere le singole cellule. Guarda attraverso la finestra e dimmi cosa vedi.

naar iemand opkijken

Idealmente, i figli dovrebbero guardare con ammirazione i genitori.

Volle kracht vooruit!

verbo intransitivo (figurato)

Abbiamo fatto un buon lavoro, ma dobbiamo continuare così. Guardiamo sempre in avanti!

iemand recht in de ogen kijken

(figurato: parlare con franchezza) (figuurlijk)

Guardami negli occhi e dimmi che non hai copiato durante il test.

de andere kant opkijken

(figurato) (figuurlijk)

Il giudice guarda dall'altra parte quando qualcuno del suo staff commette un reato minore.

staren

Judith fissò lo sguardo sulle placide acque del lago

boos fronzen

Perché mi guardi storto?

loeren

verbo intransitivo

Il bullo lo guardava malignamente dall'altra parte della classe.

een fronsende blik toewerpen

verbo transitivo o transitivo pronominale

Non mi guardare in modo minaccioso: non sono stato io a sfasciarti la macchina.

vooruitzien

(figurato) (figuurlijk)

L'azienda guarda al futuro e spera di espandere il proprio business.

kijken uit

verbo intransitivo

Se guardi fuori dalla finestra puoi vedere l'oceano.

onder ogen zien

verbo transitivo o transitivo pronominale (figurato)

Bisogna che guardi in faccia la realtà e affronti la questione rapidamente.

op iemand neerkijken

verbo transitivo o transitivo pronominale (figurato) (figuurlijk)

Guardare dall'alto in basso le persone meno fortunate di te è sbagliato.

rondkijken

Sarah ha trascorso il pomeriggio a guardare in giro per i negozi della zona.

aankijken, aanblikken, aanstaren

La madre di Judy scrutò la sua gonna e si accigliò.

op iets neerkijken

verbo transitivo o transitivo pronominale (figurato) (figuurlijk)

Erano ragazzine ricche che guardavano dall'alto i vestiti poco costosi.

even naar boven kijken

verbo intransitivo

Il calciatore ha guardato in alto prima di crossare la palla nell'area di rigore.

uitkijken op, uitzien op

La finestra del nostro bagno guarda sul giardino dei vicini.

even naar beneden kijken

verbo intransitivo

Sarah guardò in basso, verso il piatto.

zich richten tot

La sua mente guarda al futuro.

met samengeknepen ogen kijken

verbo transitivo o transitivo pronominale

Karen guardò il paesaggio con occhi socchiusi a causa del sole abbagliante.

openen

La porta si apre su un ampio cortile.

glimlachen naar

verbo transitivo o transitivo pronominale

Sorrise divertita di fronte all'innocenza della domanda del bimbo.

zien, beschouwen

verbo intransitivo

Guardo con sospetto a quell'idea.

Laten we Italiaans leren

Dus nu je meer weet over de betekenis van guardare in Italiaans, kun je leren hoe je ze kunt gebruiken aan de hand van geselecteerde voorbeelden en hoe je lees ze. En vergeet niet om de verwante woorden die we voorstellen te leren. Onze website wordt voortdurend bijgewerkt met nieuwe woorden en nieuwe voorbeelden, zodat u de betekenissen van andere woorden die u niet kent, kunt opzoeken in Italiaans.

Ken je iets van Italiaans

Italiaans (italiano) is een Romaanse taal en wordt gesproken door ongeveer 70 miljoen mensen, van wie de meesten in Italië wonen. Italiaans gebruikt het Latijnse alfabet. De letters J, K, W, X en Y komen niet voor in het standaard Italiaanse alfabet, maar komen wel voor in leenwoorden uit het Italiaans. Italiaans is de tweede meest gesproken taal in de Europese Unie met 67 miljoen sprekers (15% van de EU-bevolking) en het wordt als tweede taal gesproken door 13,4 miljoen EU-burgers (3%). Italiaans is de belangrijkste werktaal van de Heilige Stoel en dient als de lingua franca in de rooms-katholieke hiërarchie. Een belangrijke gebeurtenis die heeft bijgedragen aan de verspreiding van het Italiaans was de verovering en bezetting van Italië door Napoleon in het begin van de 19e eeuw. Deze verovering stimuleerde de eenwording van Italië enkele decennia later en duwde de taal van de Italiaanse taal. Italiaans werd een taal die niet alleen werd gebruikt door secretarissen, aristocraten en de Italiaanse rechtbanken, maar ook door de bourgeoisie.