Wat betekent finissimo in Italiaans?
Wat is de betekenis van het woord finissimo in Italiaans? Het artikel legt de volledige betekenis uit, de uitspraak samen met tweetalige voorbeelden en instructies voor het gebruik van finissimo in Italiaans.
Het woord finissimo in Italiaans betekent stoppen, ophouden, afmaken, volbrengen, opmaken, stoppen, eindigen, aflopen, de finish of eindmeet bereiken, raken, raken, beëindigd, stopgezet, uitkomen, terechtkomen, afmaken, gedaan, volbracht, afgemaakt, beëindigd, afmaken, beëindigen, opmaken, opgebruiken, opeten, opeten, afronden, beëindigen, afronden, voltooien, sluiten voor de schoolvakanties, eindigen, af, klaar, gedaan, opdrinken, terechtkomen, uitkomen, over, afgelopen, klaar, af, voorbij, terechtkomen, voorbij zijn, afgelopen zijn, afnemen, verminderen, tanen, achteruitgaan, uitverkocht zijn, afmaken, volbrengen, voltooien, beëindigen, afronden, afmaken, voltooien, opkrassen, afnokken, kappen, eindigen, ophouden, gebruiken, wegstromen, wegvloeien, weglopen, aflopen, stoppen, herfst, op niets uitdraaien, op niets uitlopen, door de zure appel heen bijten, schroothoop, prullenbak, goedkomen, in iemands greep raken, in de problemen raken, op niets uitlopen, bankroet, opdrinken, uitdrinken, opeten, afmaken, voltooien, iets afbetalen, uit de lucht, aflopen, eindigen, uitkomen bij, opdrinken, afmaken, opeten, denderen, schieten, van, van … af, eindigen, ophouden, onder iets komen. Raadpleeg de onderstaande details voor meer informatie.
Betekenis van het woord finissimo
stoppen, ophoudenverbo intransitivo Per favore finisci così possiamo andare via. |
afmaken, volbrengenverbo transitivo o transitivo pronominale Finirà la traduzione entro i prossimi 30 minuti. |
opmakenverbo transitivo o transitivo pronominale Ha finito la scatola di cereali e ha dovuto aprirne un'altra. |
stoppen, eindigen, aflopen
La mia lezione finisce a mezzogiorno. |
de finish of eindmeet bereikenverbo transitivo o transitivo pronominale Ha completato la gara in 35 minuti. |
rakenverbo intransitivo (figurato) |
raken
Se continua così finiremo per perderci. |
beëindigd, stopgezetverbo transitivo o transitivo pronominale I saldi finiranno domani alla chiusura del negozio. |
uitkomen, terechtkomenverbo intransitivo Volevamo arrivare a Brighton, ma siamo finiti ad Hastings. |
afmaken(werk of opdracht) Dovresti essere in grado di finire questo lavoro in due ore. |
gedaan, volbracht, afgemaakt, beëindigdverbo intransitivo (werkwoordsvorm) La partita è finita alle quattro. |
afmaken, beëindigenverbo transitivo o transitivo pronominale Finite la relazione prima di andare a casa. |
opmaken, opgebruikenverbo transitivo o transitivo pronominale Per questo pasto ho finito quasi tutto ciò che c'era in frigo. Mary mi ha consumato tutta la benzina e non ha fatto il pieno. |
opetenverbo transitivo o transitivo pronominale John ha finito di mangiare e poi è uscito di casa. |
opeten
Devi finire la tua verdura prima del dessert. |
afronden, beëindigenverbo intransitivo Terminiamo e andiamo a casa. |
afronden, voltooienverbo transitivo o transitivo pronominale Non sarà facile, ma porteremo a termine questo progetto. |
sluiten voor de schoolvakantiesverbo transitivo o transitivo pronominale (informale) La scuola finisce la prossima settimana per le vacanze estive. |
eindigen
Il concerto è finito con un concerto per violino di Mozart. |
af, klaar, gedaan
Abbiamo finito tre relazioni, ne manca una! |
opdrinken(bevande) Ha finito la sua birra e sono andati al bar successivo. |
terechtkomen, uitkomen(arrivare) Prendendo la metro speravo di ritrovarmi nel centro di Parigi. |
over, afgelopen, klaar, af, voorbij(figurato: lasciarsi) Ne ho abbastanza della tua gelosia. Abbiamo chiuso! |
terechtkomen(cadere, colpire pesantemente) (klap) Il pugno del pugile è piombato sulla mascella dell'avversario. |
voorbij zijn, afgelopen zijn
La battaglia era terminata in meno di tre ore. |
afnemen, verminderen, tanen, achteruitgaan
|
uitverkocht zijnverbo transitivo o transitivo pronominale (vendere tutto) Dà sempre fastidio andare al botteghino e sentirsi dire che è tutto esaurito. |
afmaken, volbrengen, voltooienverbo transitivo o transitivo pronominale Completerò il dipinto entro venerdì. |
beëindigen, afrondenverbo transitivo o transitivo pronominale Dan terminò la relazione e la spedì al suo capo. |
afmaken, voltooienverbo transitivo o transitivo pronominale Devo finire i miei compiti prima di andare al centro commerciale. |
opkrassen, afnokken, kappen(informeel) |
eindigen, ophoudenverbo intransitivo Mi dispiace vedere che il loro sito web sta chiudendo. |
gebruikenverbo transitivo o transitivo pronominale Ho finito tutti i miei vestiti puliti per questa settimana! Ik heb al mijn schone kleren gebruikt voor deze week! |
wegstromen, wegvloeien, weglopen
L'acqua di scolo fluisce nella grondaia. |
aflopen, stoppenverbo intransitivo La commedia finisce lunedì. |
herfst(figurato) (figuurlijk) Ora, all'età di settantanove anni, è al tramonto della vita. |
op niets uitdraaien, op niets uitlopenverbo intransitivo Sentì che tutti i suoi sforzi erano finiti in nulla. |
door de zure appel heen bijten(figurato) (figuurlijk) È meglio togliersi il pensiero adesso piuttosto che lasciarlo da fare all'ultimo momento. Het beste is om door de zure appel heen te bijten dan het tot de laatste minuut uit te stellen. |
schroothoop, prullenbakverbo intransitivo (informale, idiomatico) (figuurlijk) |
goedkomenverbo intransitivo Annie sperava che il suo progetto andasse a finire bene così avrebbe preso un bel voto. |
in iemands greep raken(figurato) (figuurlijk) |
in de problemen raken(informale) Finisco sempre nei guai con i miei insegnanti. |
op niets uitlopen
|
bankroet(informale: fallire) Quando l'azienda è andata in malora ha perso il lavoro. |
opdrinken, uitdrinkenverbo intransitivo Finisci di bere, dobbiamo andare! |
opetenverbo intransitivo Se finisci di mangiare velocemente avremo più tempo per giocare. |
afmaken, voltooien
Ha sempre una nuova iniziativa, ma non riesce mai a portare a termine le cose. |
iets afbetalenverbo transitivo o transitivo pronominale (volledig betalen) Ho quasi finito di pagare il mio mutuo. La società di recupero crediti continuò a chiamarmi per settimane finché non saldai il mio debito. Ik heb mijn hypotheek bijna volledig af |
uit de lucht(radio, televisione) (figuurlijk, radio, tv) La nostra radio locale chiude le trasmissioni a mezzanotte, e dopo non ci sarà più niente da ascoltare. |
aflopen, eindigenverbo intransitivo Nessuno sa come andrà a finire questo piccolo dramma. |
uitkomen bij(figuurlijk) |
opdrinkenverbo transitivo o transitivo pronominale Finisci di bere il succo; è ora di andare. |
afmaken(figurato) (informeel) |
opetenverbo transitivo o transitivo pronominale Se finisci di mangiare le verdure poi avrai il dolce. |
denderen, schietenverbo intransitivo È scivolato ed è finito a capofitto contro un palo della luce. |
van, van … afverbo transitivo o transitivo pronominale Non hai ancora finito col telefono? |
eindigen, ophoudenverbo intransitivo Dove andrà a finire? |
onder iets komen
|
Laten we Italiaans leren
Dus nu je meer weet over de betekenis van finissimo in Italiaans, kun je leren hoe je ze kunt gebruiken aan de hand van geselecteerde voorbeelden en hoe je lees ze. En vergeet niet om de verwante woorden die we voorstellen te leren. Onze website wordt voortdurend bijgewerkt met nieuwe woorden en nieuwe voorbeelden, zodat u de betekenissen van andere woorden die u niet kent, kunt opzoeken in Italiaans.
Verwante woorden van finissimo
Geüpdatete woorden van Italiaans
Ken je iets van Italiaans
Italiaans (italiano) is een Romaanse taal en wordt gesproken door ongeveer 70 miljoen mensen, van wie de meesten in Italië wonen. Italiaans gebruikt het Latijnse alfabet. De letters J, K, W, X en Y komen niet voor in het standaard Italiaanse alfabet, maar komen wel voor in leenwoorden uit het Italiaans. Italiaans is de tweede meest gesproken taal in de Europese Unie met 67 miljoen sprekers (15% van de EU-bevolking) en het wordt als tweede taal gesproken door 13,4 miljoen EU-burgers (3%). Italiaans is de belangrijkste werktaal van de Heilige Stoel en dient als de lingua franca in de rooms-katholieke hiërarchie. Een belangrijke gebeurtenis die heeft bijgedragen aan de verspreiding van het Italiaans was de verovering en bezetting van Italië door Napoleon in het begin van de 19e eeuw. Deze verovering stimuleerde de eenwording van Italië enkele decennia later en duwde de taal van de Italiaanse taal. Italiaans werd een taal die niet alleen werd gebruikt door secretarissen, aristocraten en de Italiaanse rechtbanken, maar ook door de bourgeoisie.